Alle berichten van Pauline Corens

Het Kamp van Beverlo

In de periode voor de Eerste Wereldoorlog groeide het ‘Camp de Beverloo’ uit tot het grootste en meest geavanceerde van Europa. Het kamp was voorzien op de kazernering van ruim 40.000 militairen en 4.000 paarden en beschikte daarenboven over ruime oefenvelden en moderne schietstanden.

In 1914 bezetten de Duitsers het kamp en moderniseerden het verder (bij hun vertrek in 1918 was het volledige kamp voorzien van elektriciteit). Ze voerden er ook proeven uit met chloorgas, dat later als strijdgas aan het IJzerfront zou worden ingezet.
Gedurende de gehele oorlogsperiode volgden meer dan een half miljoen Duitse soldaten opleidingen in de ‘Truppenübungsplatz’ van Beverlo, om vervolgens aan het Westelijk front te gaan strijden.

Door de aanwezigheid van Duitse troepen in het Kamp van Beverlo, verschenen ook regelmatig geallieerde vliegtuigen boven onze streek. Om het gevaar van een mogelijke vliegtuigaanval op het kamp te verkleinen, kregen de inwoners van Kerkhoven speciale voorschriften van de Duitsers: Alle verlichte ruimten moesten naar buiten toe verduisterd worden. Bij vliegalarm mochten de burgers hun huizen niet verlaten en moest alle helle verlichting onmiddellijk gedoofd worden.

beverlo
Het Kamp van Beverlo – Leopoldsburg

Melk en melkverbruik

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd ook de melkverkoop door de Duitsers sterk gecontroleerd.

Elke landbouwer was verplicht een melklijst bij te houden, waarop de melkopbrengst van alle koeien ‘s morgens, ‘s middags en ‘s avonds werd genoteerd.

Verder verscheen met het oog op het rantsoeneren van het melkgebruik volgende regeling:

- Boeren met melkkoeien kregen 1/4 liter per hoofd per dag;
- Andere inwoners hadden recht op 1/8 liter per hoofd en per dag;
- Zieke kinderen tot 3 jaar kregen 1 liter per dag op doktersattest;
- Volwassen zieken ontvingen, mits doktersattest, 1 liter per dag.

Deze regeling werd op 27 december 1917 nog eens als volgt aangepast:

- Elk huisgezin tot 4 personen had recht op 1/4 liter per dag;
- Huisgezinnen met 5 en meer personen ontvingen 1/2 liter per dag;
- Kinderen ouder dan 3 jaar kregen een 1/2 liter per dag;
- Oude, zwakke en zieke personen kregen, mits doktersattest, eveneens een 1/2 liter per dag;
- Grote gasthuizen bekwamen dagelijks 1 liter;

In Lommel waren twee melkerijen gevestigd: de samenwerkende melkerij Sint-Bernardus (Centrum) en de samenwerkende melkerij Heilig Hart (Kattenbos).
Daarnaast kregen een 35-tal landbouwers een vergunning om hun melk te verkopen, waarbij ze wekelijks slechts een bepaalde hoeveelheid mochten verhandelen. Zo kon bv. Jac. Bloemen wekelijks 28 liter melk verkopen aan zieke personen.
Het melkuitdeellokaal ontving de melk van de landbouwer of de melkerij tegen 40 cent per liter en verkocht ze vervolgens aan 44 cent per liter.

melkerij
Stoommelkerij Sint-Bernardus in de Frans Van Hamstraat

Louis Fiten, Ferdinand Geboers en Joseph Hick

Louis Fiten, Ferdinand Geboers en Joseph Hick waren allen woonachtig in het Lommelse gehucht Werkplaatsen. Ze werden in de week van 7 augustus 1916 door de Duitse bezetter als politieke gevangenen weggevoerd naar Duitsland. Ondanks de geleden ontberingen konden de drie mannen in 1918 terugkeren naar Lommel.

Louis Fiten, schrijnwerker van beroep, was 54 jaar oud toen hij naar Duitsland werd weggevoerd. Hij werd ervan beschuldigd bootjes gemaakt te hebben om jongelingen over het kanaal te loodsen en zo de Nederlandse grens over te steken.

Ferdinand Geboers werd geboren in 1888. Hij zou jongemannen over de grens gesmokkeld hebben. Na afloop van de oorlog keerde hij ziek terug uit Duitsland. Hij ontving een oorlogsschadevergoeding van 150 fr.

Joseph Hick werd in 1873 in Montzen (ten noorden van Eupen) geboren. In 1893 trouwde hij met de Duitse Maria Winckens, waarna het gezin een tijdlang in Eilendorf (Duitsland) woonde. In 1908 kwam de familie naar Lommel-Werkplaatsen, waar Joseph aan de slag ging als fabrieksopzichter. Zoon Matheus vocht als sergeant beroepsvrijwilliger vanaf het begin van WOI bij het 1ste artillerieregiment van het Belgische leger. Joseph werd opgepakt omdat hij jongelingen die het leger wilden vervoegen, over de draad had  geholpen.

De afdeling Hulp en Onderstand

Het Nationaal Hulp- en Voedingscomité bestond uit 2 afdelingen. Naast voedselbevoorrading bood men ook financiële ondersteuning. Er was tijdens de bezettingsperiode immers sprake van een enorm grote werkloosheid onder de bevolking. Bij gebrek aan aanvoer van grondstoffen uit het buitenland, ingevolge de kustblokkade door de geallieerden, waren industriële bedrijven genoodzaakt hun productie te minderen. Alleen de kolenmijnen werkten, met instemming van de Belgische regering, zoveel mogelijk verder. Naar schatting waren er in België gedurende de oorlog zo’n 650.000 arbeiders werkloos, wiens gezinnen bij gebrek aan inkomen extra hulp behoefden. De Kommissie van Openbare Onderstand kwam hierdoor voor zulke hoge uitgaven te staan, dat ze  die zonder steun onmogelijk alleen kon dragen.

In april 1915 verscheen een omzendbrief van de Kreischef te Maaseik ‘betreffende de bestrijding der werkloosheid’. Uit de antwoorden van de Lommelse burgemeester bleek o.a. het volgende:
-     Er waren in de gemeente een 120-tal werklozen, echter deze konden grotendeels tewerkgesteld worden bij de gemeentewerken. Slechts enkelen van hen werden gesteund door het Noodkomiteit. De gemeentewerken werden bij aanneming uitgevoerd en ieder verdiende naargelang het geleverde werk.
-     Als crisiswerken worden vooral het omspitten van heigronden en het planten van dennen genoemd. Hiervoor werden telkens ongeveer 90 werklieden tewerkgesteld. Als verloning kreeg men 1,5 fr. per are voor het heispitten en volgens leeftijd 1 fr., 1,5 fr. of 1,5 fr. voor het dennenplanten.

zandgroeve kattenbos
Eind 1916 diende ook de gemeentelijke zandgroeve op Kattenbos haar activiteiten stop te zetten

 

Schoolsoep

Omdat vooral de kinderen zwaar te lijden hadden onder de voedseltekorten, startte het voedselcomité in Lommel op 7 juni 1916 met de bedeling van schoolsoep.  Het bleek immers dat de extra rantsoenen die men voor de jongsten voorzag, in vele gevallen niet bij hen terecht kwamen. Daarom werd beslist dat de kinderen op school een bord soep en een broodje zouden krijgen.

‘De schoolmaaltijd is bestemd voor alle behoeftige kinderen van 3 tot 14 jaar. Kinderen jonger dan 6 jaar die niet naar school gaan, ontvangen de maaltijd in het lokaal door de gemeente aangeduid. Slechts in geval van ziekte of gebrek wordt thuis bedeeld. Eén of meer geneesheren worden aangesteld om geneeskundig toezicht te houden over de kinderen en de maaltijden.‘

schoolsoep
Staande, van links naar rechts, de schoolsoepkooksters die op dinsdag belangeloos hun medewerking gaven: (Paulina of Helena) Van Engeland, Maria Theuwissen, Henriette Vreys, Maria Verkammen, Marie Becquaerts (echtgenote van Dr. Neeckx), Anna Moons (echtgenote burgemeester Van Ham), Ida Vereyken, Drika Claes, Catharina Dominicus en Catharina Neyens Zittend, van links naar rechts, de 4 dagelijkse werkmeisjes: Maria Van Hoof, Elisa Lavreysen, Elisa Pennemans en Antoinette Lavreysen

 

Gerard Kelgtermans

Gerard Kelgtermans werd in Lutlommel geboren op 24 januari 1895.

In een mand zonder bodem, kroop hij begin januari 1915, samen met Louis Segers en Jan Theodoor Verdonk, door de elektrische draadversperring . Het gezelschap trok verder door Nederland om vervolgens in te schepen voor Engeland en bereikte via Folkstone uiteindelijk Franse bodem. Op 16 januari 1915 meldde Gerard zich als oorlogsvrijwilliger aan en werd hij bij de hulptroepen van de Belgische genie ingelijfd.

Een jaar later, in de zomer van 1916, werd hij in Steenstrate door een Duitse obus zwaar getroffen aan zijn been, waardoor zijn voet verlamd raakte. Over dit voorval getuigde hij eerder nog het volgende:

‘Een luitenant en 7 soldaten zaten verscholen achter een muur en een groepje van 4 soldaten vulden zandzakjes. Om de beurt bespieden we de vijand door een periscoop. De Duitsers waren bezig met het maken van een onderkomen, een houten bouwwerk. Toen dit klaar was, vroeg de luitenant om artillerievuur. Het eerste kanonschot was een voltreffer en vernietigde het bouwwerk. Doden en gekwetsten werden afgevoerd. Het antwoord van de vijand was echter prompt. Een obus trof de stelling van de geniesoldaten met het gevolg dat wij 5 gesneuvelden telden en 3 gekwetsten aan de benen, waaronder ikzelf.’

loopgraaf - periscoop
Engelse soldaten bespioneren de Duitse linie met een loopgravenperiscoop

 

 

Frans en Josefien Hufkens

Frans en Josefien Hufkens werden beiden geboren in Geel. Later verhuisde het gezin echter naar Lommel.

In 1914 vluchtte Frans naar Valkenswaard, van waaruit hij tijdens de oorlog als inlichtingsagent opereerde.

De man van Josefien, Grad Van Hout, vluchtte eveneens en kwam via Nederland in Engeland terecht, waar hij als fabrieksarbeider de kost verdiende. Regelmatig stuurde Grad zijn vrouw wat geld toe uit Engeland. Broer Frans bezorgde het haar in een pakketje door de draad. Hoewel de Duitsers een vermoeden hadden van de geheime trafiek, bleef Josefien ook bij herhaalde ondervragingen hardnekkig ontkennen.

Met haar beide kinderen in een kruiwagen, waagde ook Josefien in juni 1916 uiteindelijk de vlucht naar Nederland. Haar broer Frans wist hen veilig over de grens en door de draad te loodsen. Vanuit Nederland maakte ze vervolgens de oversteek naar Engeland om zich daar opnieuw bij haar man te voegen.

Na de oorlog keerde het voltallige gezin terug naar Lommel.

oversteek naar engeland
Belgische vluchtelingen bij aankomst in Dover (afbeelding greatwarchalford.wordpress.com)

Frans Gerards

Frans Gerards werd geboren in Kattenbos op 22 augustus 1894.

Als soldaat milicien diende hij tijdens WOI bij het 5de  Linieregiment, 1ste Bataljon, 1ste Compagnie.

Hij ontving in de loop van de oorlog 7 frontstrepen en 1 kwetsuurstreep.

Op 20 februari 1917 raakte Frans gekwetst. Terwijl hij aan het front de wacht hield, doorboorde een kogel zijn rechterpols.

Later vertelde hij zijn kinderen ook meermaals hoe hij met Kerstmis ongewapend naar de Duitse loopgrachten liep en daar enkele mannen de hand drukte, om vervolgens weer rustig terug te wandelen.

Frans Gerards  (staande - 2de van links)
Frans Gerards (staande 2de van links)

Haverleveringen: Een grote Duitse zorg

Dat de levering van haver voor de Duitsers een prioriteit was,  bleek al bij het begin van de Eerste Wereldoorlog. Het eerste dat werd opgeëist, was immers haver voor de paarden.

Ingevolge een verordening van de Gouverneur-Generaal te Brussel werd een meldingsplicht opgelegd van alle hoeveelheden haver groter dan 300 kilogram, evenals het aantal paarden per eigenaar. Hiertoe werd in elke gemeente een commissie opgericht, bestaande uit de burgemeester, een schepen-voorzitter en twee overige door de burgemeester aangestelde leden. ‘Deze zullen zich samen tot de haver- en paardenbezitters wenden en een vragenlijst beantwoorden, … . De haver moet in een droge en luchtige ruimte bewaard worden en van de beste kwaliteit zijn. Ze zal in zakken van 50 kg geleverd worden aan het station tegen contante betaling van 33 fr per 100 kilo en de zakken tegen 1,25 fr per stuk.’

Toen de opname van de havervoorraad niet het verhoopte resultaat opleverde, gaf het Duitse bestuur opdracht meedogenloos op te treden en huiszoekingen te doen naar verborgen haver, daar waar men valse opgaven vermoedde.

Alle kommissieleden werden verantwoordelijk gesteld voor een goede opname. Kwamen er in de gemeente meerdere gevallen voor van valse aangiften dan werd de ganse gemeente gestraft.

paard en kar

Hoewel de  opeisingen in hoofdzaak bestemd waren voor het Duitse leger zelf, kon ook de Belgische bevolking haver kopen van de Duitsers. Er werd hierbij een maximumrantsoen van 1,5 kilogram per paard per dag gehanteerd. Landbouwers die bv. populieren vervoerden, konden – mits een speciale toelating – een rantsoenverhoging krijgen.

 

Flamenpolitik

Duitsland gebruikte  tijdens de Eerste Wereldoorlog  het verdeel-en-heersprincipe. Het wilde door het doelbewust uitlokken van onenigheid de eigen positie verstevigen. Binnen deze  strategie paste in ons land de zogeheten ‘Flamenpolitik’ (Vlamingenbeleid), een charme-offensief dat tot doel had de Vlaamse bevolking voor zich te winnen door de Franstalige invloed terug te dringen. Zo  richtte de Duitse bezetter in 1916 een eerste Nederlandstalige universiteit op in Gent en federaliseerde hij in 1917 de Belgische instellingen.

Eveneens werden alle  Vlaamse gemeenten verplicht om Nederlandstalige namen te gebruiken, waarbij ook in onze gemeente de borden met Franstalig opschrift geleidelijk verdwenen. Bij brug 12, Brug 9 en in de Kolonie werden bv. alle borden met vermelding ‘Douane Belge’ door de Duitsers verwijderd of witgekalkt.

flamenpolitik