De afdeling Hulp en Onderstand

Het Nationaal Hulp- en Voedingscomité bestond uit 2 afdelingen. Naast voedselbevoorrading bood men ook financiële ondersteuning. Er was tijdens de bezettingsperiode immers sprake van een enorm grote werkloosheid onder de bevolking. Bij gebrek aan aanvoer van grondstoffen uit het buitenland, ingevolge de kustblokkade door de geallieerden, waren industriële bedrijven genoodzaakt hun productie te minderen. Alleen de kolenmijnen werkten, met instemming van de Belgische regering, zoveel mogelijk verder. Naar schatting waren er in België gedurende de oorlog zo’n 650.000 arbeiders werkloos, wiens gezinnen bij gebrek aan inkomen extra hulp behoefden. De Kommissie van Openbare Onderstand kwam hierdoor voor zulke hoge uitgaven te staan, dat ze  die zonder steun onmogelijk alleen kon dragen.

In april 1915 verscheen een omzendbrief van de Kreischef te Maaseik ‘betreffende de bestrijding der werkloosheid’. Uit de antwoorden van de Lommelse burgemeester bleek o.a. het volgende:
-     Er waren in de gemeente een 120-tal werklozen, echter deze konden grotendeels tewerkgesteld worden bij de gemeentewerken. Slechts enkelen van hen werden gesteund door het Noodkomiteit. De gemeentewerken werden bij aanneming uitgevoerd en ieder verdiende naargelang het geleverde werk.
-     Als crisiswerken worden vooral het omspitten van heigronden en het planten van dennen genoemd. Hiervoor werden telkens ongeveer 90 werklieden tewerkgesteld. Als verloning kreeg men 1,5 fr. per are voor het heispitten en volgens leeftijd 1 fr., 1,5 fr. of 1,5 fr. voor het dennenplanten.

zandgroeve kattenbos
Eind 1916 diende ook de gemeentelijke zandgroeve op Kattenbos haar activiteiten stop te zetten

 

Schoolsoep

Omdat vooral de kinderen zwaar te lijden hadden onder de voedseltekorten, startte het voedselcomité in Lommel op 7 juni 1916 met de bedeling van schoolsoep.  Het bleek immers dat de extra rantsoenen die men voor de jongsten voorzag, in vele gevallen niet bij hen terecht kwamen. Daarom werd beslist dat de kinderen op school een bord soep en een broodje zouden krijgen.

‘De schoolmaaltijd is bestemd voor alle behoeftige kinderen van 3 tot 14 jaar. Kinderen jonger dan 6 jaar die niet naar school gaan, ontvangen de maaltijd in het lokaal door de gemeente aangeduid. Slechts in geval van ziekte of gebrek wordt thuis bedeeld. Eén of meer geneesheren worden aangesteld om geneeskundig toezicht te houden over de kinderen en de maaltijden.‘

schoolsoep
Staande, van links naar rechts, de schoolsoepkooksters die op dinsdag belangeloos hun medewerking gaven: (Paulina of Helena) Van Engeland, Maria Theuwissen, Henriette Vreys, Maria Verkammen, Marie Becquaerts (echtgenote van Dr. Neeckx), Anna Moons (echtgenote burgemeester Van Ham), Ida Vereyken, Drika Claes, Catharina Dominicus en Catharina Neyens Zittend, van links naar rechts, de 4 dagelijkse werkmeisjes: Maria Van Hoof, Elisa Lavreysen, Elisa Pennemans en Antoinette Lavreysen