Categorie archief: Oorlog en bezetting

Observatiepost in Kerkhoven

Op 12 maart 1917, terwijl de pastoor afwezig was, beklommen enkele Duitse manschappen de kerktoren van Kerkhoven. Onder fel verzet van de koster maakten ze in de spits een opening van 20 bij 40 cm. Hierbij werd niet alleen een keper van 16 cm dikte doorgezaagd, maar ook het torenuurwerk werd ernstig beschadigd. Een Duits onderofficier vertelde de pastoor ’s anderdaags de toren als observatiepost nodig te hebben bij schietoefeningen, maar verzekerde hem dat alle geleden schade later hersteld zou worden. In een klachtbrief aan de Duitse overheid protesteerde de pastoor heftig dat ‘de kerk geen gebouw is waar iedereen vrij in en uit mag lopen, de sigaret in de mond. Zulks is kwetsend voor de gevoelens van eerbied tegenover God!’

kerk - kerkhoven
Parochiekerk van St. Jan de Doper te Lommel-Kerkhoven

Bomen

Ingevolge de verordening van de Gouverneur-Generaal van 17 oktober 1916 dienden alle populieren en canadapopulieren ten laatste op 9 november 1916 te worden opgegeven bij de Kommandatur. Stammen van 1,60 meter omvang en meer werden als aangeslagen beschouwd en konden enkel verkocht of vervoerd worden met de expliciete toestemming van de Kreischef te Maaseik.

Eveneens dienden de eigenaars van een wagen die gebruikt kon worden voor het transport van bomen, deze aan te geven.

Ook voor alle notenbomen dienden later het aantal, de ouderdom en de stamgrootte te worden opgegeven. Zo verhaalt wijlen Maria Vilrokx-Vercammen in een schriftje uit het familie-archief: ‘De Duitsers eisen alles op: graan, melk, boter en ook de notenbomen om er geweerkolven van te maken. Er stonden in Lommel voorheen echte pronkstukken van notenbomen, vooral rond de boerderijen. Op de Grote Hoef stonden er vier heel dikke en aan de overkant van de Hoeverdijk, achter het huis van de kinderen Vereyken, nog eens twee prachtige exemplaren.’

Bomen die in beslag werden genomen moesten door de eigenaars op bevel van de Kommandatur geveld en bewerkt worden. Wie het bevel niet opvolgde werd beboet met 600 Mark of gestraft met 6 weken gevangenis.

zagerij emsens
Houthandel, elektrische zagerij en schaverij, opgericht omstreeks 1908 door Stanislas Emsens te Lommel-Stevensvennen

Petrus Gerardus Vanden Eynde, het eerste slachtoffer van de draad

Het eerste slachtoffer van de elektrische draadversperring dat in Lommel te betreuren viel, was Petrus Gerardus Vanden Eynde, echtgenoot Van Suzanne Conjaerts. Het tragische voorval had plaats op 27 september 1916 en wordt in ‘Genealogie der families Kuppens en Vanden Eynde’  als volgt omschreven:

‘Peter Gerard Vanden Eynde werkte als arbeider op de metaalfabriek te Overpelt. In de loop van het tweede oorlogsjaar 1916 viel de fabriek zo goed als stil. Vanden Eynde viel werkloos en keek vruchteloos uit naar ander werk. Op 27 september 1916 wilde hij zijn geluk proberen in de Nederlandse grensgemeente Luyksgestel samen met Vanduffel uit het gehucht Einde en Henri Van Hout (bijgenaamd ‘Toebak’) uit het gehucht Hees. Op het gehucht de Hutten, voorbij de hoeve Joosten, tussen de woningen Cuypers en Wuyts, zouden zij door de draad gaan. Helaas raakte Vanden Eynde bij zijn sprong over de versperring met zijn hiel de bovenste elektrisch geladen draad en viel doodgebliksemd op de grond neer, de hiel doorgebrand. Zijn lijk zou per ossekar naar het dodenhuisje Van Lommel-Centrum overgebracht worden. Zijn twee makkers geraakten ongedeerd in Luyksgestel. Dit tragisch gebeuren veroorzaakte heel wat beroering onder de Lommelse bevolking. Zelfs de Duitsers, die hun militaire keuken bij het huis Vanden Eynde-Conjaerts hadden gestationeerd, deelden in het verdriet der familie. ‘Had men hen ingelicht over de voorgenomen vlucht, dan hadden zij voor een vlot verloop gezorgd …’,  zo vertelde de oudste dochter.’

Later, na de wapenstilstand, verklaarde zijn weduwe Suzanne Conjaerts  in haar aanvraag om een oorlogsvergoeding, dat haar echtgenoot op 27 september 1916 bij haar ‘s avonds vertrok met de gedachte in Engeland te gaan werken en alzo aan het vaderland dienst te bewijzen.

dodendraad
De dodendraad, door politiek tekenaar Albert Hahn (1877-1918)

Het Kamp van Beverlo

In de periode voor de Eerste Wereldoorlog groeide het ‘Camp de Beverloo’ uit tot het grootste en meest geavanceerde van Europa. Het kamp was voorzien op de kazernering van ruim 40.000 militairen en 4.000 paarden en beschikte daarenboven over ruime oefenvelden en moderne schietstanden.

In 1914 bezetten de Duitsers het kamp en moderniseerden het verder (bij hun vertrek in 1918 was het volledige kamp voorzien van elektriciteit). Ze voerden er ook proeven uit met chloorgas, dat later als strijdgas aan het IJzerfront zou worden ingezet.
Gedurende de gehele oorlogsperiode volgden meer dan een half miljoen Duitse soldaten opleidingen in de ‘Truppenübungsplatz’ van Beverlo, om vervolgens aan het Westelijk front te gaan strijden.

Door de aanwezigheid van Duitse troepen in het Kamp van Beverlo, verschenen ook regelmatig geallieerde vliegtuigen boven onze streek. Om het gevaar van een mogelijke vliegtuigaanval op het kamp te verkleinen, kregen de inwoners van Kerkhoven speciale voorschriften van de Duitsers: Alle verlichte ruimten moesten naar buiten toe verduisterd worden. Bij vliegalarm mochten de burgers hun huizen niet verlaten en moest alle helle verlichting onmiddellijk gedoofd worden.

beverlo
Het Kamp van Beverlo – Leopoldsburg

Melk en melkverbruik

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd ook de melkverkoop door de Duitsers sterk gecontroleerd.

Elke landbouwer was verplicht een melklijst bij te houden, waarop de melkopbrengst van alle koeien ‘s morgens, ‘s middags en ‘s avonds werd genoteerd.

Verder verscheen met het oog op het rantsoeneren van het melkgebruik volgende regeling:

- Boeren met melkkoeien kregen 1/4 liter per hoofd per dag;
- Andere inwoners hadden recht op 1/8 liter per hoofd en per dag;
- Zieke kinderen tot 3 jaar kregen 1 liter per dag op doktersattest;
- Volwassen zieken ontvingen, mits doktersattest, 1 liter per dag.

Deze regeling werd op 27 december 1917 nog eens als volgt aangepast:

- Elk huisgezin tot 4 personen had recht op 1/4 liter per dag;
- Huisgezinnen met 5 en meer personen ontvingen 1/2 liter per dag;
- Kinderen ouder dan 3 jaar kregen een 1/2 liter per dag;
- Oude, zwakke en zieke personen kregen, mits doktersattest, eveneens een 1/2 liter per dag;
- Grote gasthuizen bekwamen dagelijks 1 liter;

In Lommel waren twee melkerijen gevestigd: de samenwerkende melkerij Sint-Bernardus (Centrum) en de samenwerkende melkerij Heilig Hart (Kattenbos).
Daarnaast kregen een 35-tal landbouwers een vergunning om hun melk te verkopen, waarbij ze wekelijks slechts een bepaalde hoeveelheid mochten verhandelen. Zo kon bv. Jac. Bloemen wekelijks 28 liter melk verkopen aan zieke personen.
Het melkuitdeellokaal ontving de melk van de landbouwer of de melkerij tegen 40 cent per liter en verkocht ze vervolgens aan 44 cent per liter.

melkerij
Stoommelkerij Sint-Bernardus in de Frans Van Hamstraat

Louis Fiten, Ferdinand Geboers en Joseph Hick

Louis Fiten, Ferdinand Geboers en Joseph Hick waren allen woonachtig in het Lommelse gehucht Werkplaatsen. Ze werden in de week van 7 augustus 1916 door de Duitse bezetter als politieke gevangenen weggevoerd naar Duitsland. Ondanks de geleden ontberingen konden de drie mannen in 1918 terugkeren naar Lommel.

Louis Fiten, schrijnwerker van beroep, was 54 jaar oud toen hij naar Duitsland werd weggevoerd. Hij werd ervan beschuldigd bootjes gemaakt te hebben om jongelingen over het kanaal te loodsen en zo de Nederlandse grens over te steken.

Ferdinand Geboers werd geboren in 1888. Hij zou jongemannen over de grens gesmokkeld hebben. Na afloop van de oorlog keerde hij ziek terug uit Duitsland. Hij ontving een oorlogsschadevergoeding van 150 fr.

Joseph Hick werd in 1873 in Montzen (ten noorden van Eupen) geboren. In 1893 trouwde hij met de Duitse Maria Winckens, waarna het gezin een tijdlang in Eilendorf (Duitsland) woonde. In 1908 kwam de familie naar Lommel-Werkplaatsen, waar Joseph aan de slag ging als fabrieksopzichter. Zoon Matheus vocht als sergeant beroepsvrijwilliger vanaf het begin van WOI bij het 1ste artillerieregiment van het Belgische leger. Joseph werd opgepakt omdat hij jongelingen die het leger wilden vervoegen, over de draad had  geholpen.

De afdeling Hulp en Onderstand

Het Nationaal Hulp- en Voedingscomité bestond uit 2 afdelingen. Naast voedselbevoorrading bood men ook financiële ondersteuning. Er was tijdens de bezettingsperiode immers sprake van een enorm grote werkloosheid onder de bevolking. Bij gebrek aan aanvoer van grondstoffen uit het buitenland, ingevolge de kustblokkade door de geallieerden, waren industriële bedrijven genoodzaakt hun productie te minderen. Alleen de kolenmijnen werkten, met instemming van de Belgische regering, zoveel mogelijk verder. Naar schatting waren er in België gedurende de oorlog zo’n 650.000 arbeiders werkloos, wiens gezinnen bij gebrek aan inkomen extra hulp behoefden. De Kommissie van Openbare Onderstand kwam hierdoor voor zulke hoge uitgaven te staan, dat ze  die zonder steun onmogelijk alleen kon dragen.

In april 1915 verscheen een omzendbrief van de Kreischef te Maaseik ‘betreffende de bestrijding der werkloosheid’. Uit de antwoorden van de Lommelse burgemeester bleek o.a. het volgende:
-     Er waren in de gemeente een 120-tal werklozen, echter deze konden grotendeels tewerkgesteld worden bij de gemeentewerken. Slechts enkelen van hen werden gesteund door het Noodkomiteit. De gemeentewerken werden bij aanneming uitgevoerd en ieder verdiende naargelang het geleverde werk.
-     Als crisiswerken worden vooral het omspitten van heigronden en het planten van dennen genoemd. Hiervoor werden telkens ongeveer 90 werklieden tewerkgesteld. Als verloning kreeg men 1,5 fr. per are voor het heispitten en volgens leeftijd 1 fr., 1,5 fr. of 1,5 fr. voor het dennenplanten.

zandgroeve kattenbos
Eind 1916 diende ook de gemeentelijke zandgroeve op Kattenbos haar activiteiten stop te zetten

 

Haverleveringen: Een grote Duitse zorg

Dat de levering van haver voor de Duitsers een prioriteit was,  bleek al bij het begin van de Eerste Wereldoorlog. Het eerste dat werd opgeëist, was immers haver voor de paarden.

Ingevolge een verordening van de Gouverneur-Generaal te Brussel werd een meldingsplicht opgelegd van alle hoeveelheden haver groter dan 300 kilogram, evenals het aantal paarden per eigenaar. Hiertoe werd in elke gemeente een commissie opgericht, bestaande uit de burgemeester, een schepen-voorzitter en twee overige door de burgemeester aangestelde leden. ‘Deze zullen zich samen tot de haver- en paardenbezitters wenden en een vragenlijst beantwoorden, … . De haver moet in een droge en luchtige ruimte bewaard worden en van de beste kwaliteit zijn. Ze zal in zakken van 50 kg geleverd worden aan het station tegen contante betaling van 33 fr per 100 kilo en de zakken tegen 1,25 fr per stuk.’

Toen de opname van de havervoorraad niet het verhoopte resultaat opleverde, gaf het Duitse bestuur opdracht meedogenloos op te treden en huiszoekingen te doen naar verborgen haver, daar waar men valse opgaven vermoedde.

Alle kommissieleden werden verantwoordelijk gesteld voor een goede opname. Kwamen er in de gemeente meerdere gevallen voor van valse aangiften dan werd de ganse gemeente gestraft.

paard en kar

Hoewel de  opeisingen in hoofdzaak bestemd waren voor het Duitse leger zelf, kon ook de Belgische bevolking haver kopen van de Duitsers. Er werd hierbij een maximumrantsoen van 1,5 kilogram per paard per dag gehanteerd. Landbouwers die bv. populieren vervoerden, konden – mits een speciale toelating – een rantsoenverhoging krijgen.

 

Flamenpolitik

Duitsland gebruikte  tijdens de Eerste Wereldoorlog  het verdeel-en-heersprincipe. Het wilde door het doelbewust uitlokken van onenigheid de eigen positie verstevigen. Binnen deze  strategie paste in ons land de zogeheten ‘Flamenpolitik’ (Vlamingenbeleid), een charme-offensief dat tot doel had de Vlaamse bevolking voor zich te winnen door de Franstalige invloed terug te dringen. Zo  richtte de Duitse bezetter in 1916 een eerste Nederlandstalige universiteit op in Gent en federaliseerde hij in 1917 de Belgische instellingen.

Eveneens werden alle  Vlaamse gemeenten verplicht om Nederlandstalige namen te gebruiken, waarbij ook in onze gemeente de borden met Franstalig opschrift geleidelijk verdwenen. Bij brug 12, Brug 9 en in de Kolonie werden bv. alle borden met vermelding ‘Douane Belge’ door de Duitsers verwijderd of witgekalkt.

flamenpolitik

Een onderdak voor Duitse militairen

In Lommel was het tijdens de Eerste Wereldoorlog een komen en gaan van Duitse soldaten.
Het kamp van Beverlo, pleisterplaats voor vermoeide troepen op rust en trainingsplek voor jongere soldaten, liep soms overvol. Dan werd er uitgezien naar inkwartieringsmogelijkheden in de dorpen uit de onmiddellijke omgeving. Lommel scheen bijzonder aangewezen, de inkwartieringen waren er legio gedurende de ganse bezettingstijd. Bijna elk huisgezin had 1 of meer militairen te logeren gehad, wat duidelijk bleek uit de latere schadevragen.

Zo meldde moeder Verkammen op 17 november 1915 dat er sedert een drietal weken 150 Duitse cavaleristen in Lommel verbleven. De paarden werden overal gestald, zelfs bij notaris Trouwers ‘in de plaats van den automobiel’. Er waren naar verluid ook verschillende graven en baronnen bij. Hun koks – een tiental – hadden bij Stevens in de Stationsstraat hun keuken. De salon deed er dienst als eetzaal.

De villa Stevens in de Stationsstraat te Lommel, thans autorijschool Flament.
De villa Stevens in de Stationsstraat te Lommel, thans autorijschool Flament.

In Lommel-Centrum waren er niet enkel inkwartieringen bij particulieren maar ook in het klooster van de zusters (Kloosterstraat), in de Sint-Jozefzaal, in de douanegebouwen aan Brug 12 en in diverse schoollokalen.

Het lokale Duitse hoofdkwartier of ‘Kommandantur’ was gevestigd aan het Kerkplein in het toenmalige rijkswachtgebouw. Hier zwaaide Hauptmann Kayser de plak, commandant ‘des Bezirks Lommel’. Hij logeerde in de naastliggende villa van burgemeester Van Ham.

Hauptmann Kayser (foto gewonden in een spouwmuur tijdens renovatiewerken aan de schoolgebouwen in de kloosterstraat)
(vermoedelijk) Hauptmann Kayser (foto gewonden in een spouwmuur tijdens renovatiewerken aan de schoolgebouwen in de Kloosterstraat)