Categorie archief: Passeurs, briefdragers en spionnen

De familie Poets

De familie Poets, afkomstig van ‘t Wijerken, telde negen kinderen. Twee zonen (Franciscus en Karolus) streden aan het IJzerfront, terwijl twee dochters (Anna en Eliza) hun vader, Victor ‘Fik’ Poets hielpen bij het overbrengen van personen en brieven over de draadversperring.

Vader Poets en zijn dochters opereerden vanuit het Nederlandse Bergeijk. Eens bevond Fik zich onbewust toch op Belgisch gebied en wist hierbij ternauwernood te ontsnappen aan twee Duitse schildwachten. Dochter Eliza had helaas minder geluk. Op 21 december 1916 werd ze bij de elektrische draadversperring in Lommel geëlektrocuteerd.

victor poets
Victor Poets
eliza poets
Eliza Poets

De echtgenote van Victor Poets, Maria Catharina Cremers bleef tijdens de oorlog in Lommel wonen, maar was net als haar man actief als passeur. Zo smokkelde zij o.m. oorlogsrapporten over de grens. In de periode 1917-1918 werd zij door de Duitsers tot 3 maal toe gevangen genomen. Er werd over haar verteld dat ‘ze met zwart haar naar de gevangenis ging en met wit haar terug kwam’.

maria catharina cremers
Maria Catharina Cremers

 

Petrus Gerardus Vanden Eynde, het eerste slachtoffer van de draad

Het eerste slachtoffer van de elektrische draadversperring dat in Lommel te betreuren viel, was Petrus Gerardus Vanden Eynde, echtgenoot Van Suzanne Conjaerts. Het tragische voorval had plaats op 27 september 1916 en wordt in ‘Genealogie der families Kuppens en Vanden Eynde’  als volgt omschreven:

‘Peter Gerard Vanden Eynde werkte als arbeider op de metaalfabriek te Overpelt. In de loop van het tweede oorlogsjaar 1916 viel de fabriek zo goed als stil. Vanden Eynde viel werkloos en keek vruchteloos uit naar ander werk. Op 27 september 1916 wilde hij zijn geluk proberen in de Nederlandse grensgemeente Luyksgestel samen met Vanduffel uit het gehucht Einde en Henri Van Hout (bijgenaamd ‘Toebak’) uit het gehucht Hees. Op het gehucht de Hutten, voorbij de hoeve Joosten, tussen de woningen Cuypers en Wuyts, zouden zij door de draad gaan. Helaas raakte Vanden Eynde bij zijn sprong over de versperring met zijn hiel de bovenste elektrisch geladen draad en viel doodgebliksemd op de grond neer, de hiel doorgebrand. Zijn lijk zou per ossekar naar het dodenhuisje Van Lommel-Centrum overgebracht worden. Zijn twee makkers geraakten ongedeerd in Luyksgestel. Dit tragisch gebeuren veroorzaakte heel wat beroering onder de Lommelse bevolking. Zelfs de Duitsers, die hun militaire keuken bij het huis Vanden Eynde-Conjaerts hadden gestationeerd, deelden in het verdriet der familie. ‘Had men hen ingelicht over de voorgenomen vlucht, dan hadden zij voor een vlot verloop gezorgd …’,  zo vertelde de oudste dochter.’

Later, na de wapenstilstand, verklaarde zijn weduwe Suzanne Conjaerts  in haar aanvraag om een oorlogsvergoeding, dat haar echtgenoot op 27 september 1916 bij haar ‘s avonds vertrok met de gedachte in Engeland te gaan werken en alzo aan het vaderland dienst te bewijzen.

dodendraad
De dodendraad, door politiek tekenaar Albert Hahn (1877-1918)

René Camiel Derdaele en Maria Elisabeth Palmans

René Camiel Derdaele (°1876), omwille van zijn beroep als klompenmaker ook wel gekend als ‘den blokmaker’, woont tijdens de Eerste Wereldoorlog samen met zijn vrouw Maria Elisabeth Palmans (°1883) in de Koningsstraat in Lommel.

In de loop van de oorlog sluiten René en Maria zich aan bij het verzet. Als spionnen slagen ze erin om de Britten via hun contacten in Nederland tal van informatie door te spelen. Voor deze diensten ontvangen ze na de oorlog van de Britse regering ‘The British War Medal’.

british war medal

Derdaele en zijn vrouw passeren zelf nooit de draadversperring, maar onderhouden wel intensief contact met een Nederlands verzetsman aan de overzijde. Inlichtingen en brieven worden in loden kokers verstopt en op vastgestelde tijdstippen over de draad gegooid.

Louis Binnemans en Maria Johanna Frans

Louis Binnemans woont ten tijde van de Eerste Wereldoorlog vlak aan de Nederlandse grens. Hij is gehuwd met Maria Johanna Frans, bijgenaamd ‘Net van de Binneman’. Samen zorgen ze voor de verspreiding van spionageberichten van en naar Nederland. Geheime boodschappen worden in kokers over de elektrische draadversperring gegooid, waar ze door een correspondent worden opgevangen. Berichten die vanuit Nederland over de draad geworpen worden, verbergt Net van de Binneman in haar kapsel om ze zo naar Leopoldsburg te smokkelen.

 

De draad en hoe hem te passeren

Ondanks de strenge Duitse bewakingsmaatregelen waren er toch nog heel wat personen die erin slaagden om in Nederland te geraken.

Hoe gebeurde dat?

Wel, men kon beroep doen op de diensten van een zogeheten ‘passeur’, iemand die het grensgebied op zijn duimpje kende, van geen kleintje vervaard was en de knepen kende om de elektrische draadversperring onschadelijk te maken.
Het passeren moest uiteraard ’s nachts gebeuren en dikwijls diende men meerdere dagen te wachten op een goede gelegenheid of op de wachtdienst van een omgekochte Duitse bewaker, die zich hiervoor natuurlijk dik liet betalen.
Ook de passeurs lieten zich voor hun werk betalen. Ze brachten soms groepen van 30 tot 40 mannen ineens over de grens.
Wie vanuit Lommel de grens over wilde had trouwens een dubbele hindernis te overwinnen: Voor men bij de elektrische draadversperring kwam, moest men eerst het kanaal over. Omdat de bruggen echter door Duitsers bewaakt werden, kon men enkel de overkant bereiken door te zwemmen.
Eens bij de draad aangekomen, waren er een vijftal methodes om er ook effectief doorheen te geraken. Ongeacht de gekozen werkwijze, zorgde de passeur er echter steeds voor dat hij rubberen handschoenen en laarzen droeg.

  1. Men knipte de draden door met een geïsoleerde tang. Deze methode was echter gevaarlijk aangezien de Duitse wachten, ingelicht door hun signaallampen, dan dadelijk langsheen de versperring begonnen te schieten.
  2. Men omwikkelde de draden met wollen dekens om ze te isoleren en er zo tussendoor te kunnen glippen.
  3. Men gebruikte een hoge droge ladder om over de draad heen te kruipen. Dit werd blijkbaar echter slechts zelden gedaan.
  4. Men plaatste rubberen platen op de onderste draad en kroop over die platen doorheen de versperring.
  5. Men spande de draden van de versperring uit mekaar met een met rubber omgeven kader of een kurkdroog houten tonnetje, waardoor men vervolgens naar de vrijheid kroop. Dit blijkt de meest beproefde methode geweest te zijn.
vouwraam
Een even simpele als geniale uitvinding om de draad te passeren is het ‘vouwraam’: een houten, plooibare kader waarvan boven- en onderkant met fietsbanden werden geïsoleerd. Het toestel werd ingevouwen toestand tussen de elektrische draden geschoven en vervolgens uitgeklapt. Zo ontstond een opening van 76 cm breedte en 29 cm hoogte, waar men doorheen kon kruipen. (Smokkelen in Brabant, een grensgeschiedenis 1830-1970 – P. Spapens en A. Van Oirschot)

 

De dodendraad

In één van de voorgaande blogberichten vertelde pastoor Eduard Van Lil hoe in de lente van 1915 de grens tussen bezet België en het vrije Nederland door de Duitsers werd afgesloten met een elektrische draadversperring. De afsluiting vormde letterlijk de grens tussen oorlog en vrede. Omwille van de vele slachtoffers die er vielen, kreeg de versperring al vlug de bijnaam ‘dodendraad’.

Er bestaan praktisch geen documenten over de draad, wellicht werd er nooit een plan over opgemaakt. Onderstaande tekening vonden we in het boek van Laurent Lombard: ‘Zone de Mort’.

dodendraad
Schema van de elektrische versperring aan de Nederlands-Belgische grens tussen Bergeijk en Lommel

Zoals uit deze tekening blijkt, bestond de grensversperring uit drie draadversperringen, die naast elkaar liepen. Alleen de middelste was dodelijk geladen met een hoogspanningsdraad van 4000 tot 8000 volt. De andere twee op een afstand van 1 tot 2 meter gespannen, vormden een bescherming en tevens een supplementaire hindernis. De beschermdraden bestonden uit een netwerk van draden en ijzeren staven of in mekaar gevlochten prikkeldraden. De steunpalen, ongeveer 2 meter hoog, waren gewone dennen uit onze bossen, die een laag carboline kregen om duurzamer te zijn. De middelste palen met de elektrische draden waren zwaarder en hoger. Er werden vier tot vijf stroomdraden getrokken vanaf 20 cm van de grond en dan telkens op een afstand van 30 cm. De stroomdraden werden elk beurtelings met stroom geladen, opgewekt door generatoren in houten barakken, die op geregelde afstanden stonden opgesteld.
Aan weerszijden van de versperring werd een weg vrijgemaakt, waarlangs de Duitsers regelmatig patrouilleerden. Langs het hele grenstraject stonden telefoonpalen geplaatst om alarm te kunnen slaan als een vluchteling of smokkelaar ondanks alles probeerde te passeren.
De Duitse soldaten, belast met de bewaking van de draad, werden destijds ondergebracht in wachthuizen, waarin soms tot 40 manschappen legerden. Meestal ging het om iets oudere mannen die behoorden tot de Duitse Landsturm. In deze wachthuizen was ook een systeem van signaallampen aanwezig, dat iedere aanraking van de draad onmiddellijk aangaf.

duitse soldaten2
Duitse soldaten belast met de bewaking van de elektrische versperring (vermoedelijk te Lommel)

Na de wapenstilstand in november 1918 was de draad blijkbaar op een wip verdwenen. Landbouwers maakten van de palen en draden dankbaar gebruik om er hun weiden en velden mee te omheinen.

De aanleg van de elektrische draadversperring

In april 1915 starten de Duitsers met de aanleg van een elektrische draadversperring, geladen met hoogspanningsstroom.  Pastoor Eduard Van Lil van Lommel-Kolonie schrijft later hierover het volgende:

‘Daar zich een gedeelte der parochie in de grensstreek bevindt, hebben velen den ‘draad’ gezien, zoals men kortweg de versperring noemde, welke door de Duitschers was opgericht, om België streng af te sluiten.  
‘s Avonds en ’s nachts weerklonken er soms schoten van vuurwapens.  Men schoot dan op vluchtelingen of briefdragers, die België in- en uit wilden.  De versperring bestond uit drie rijen draad, naast elkander; de buitenste rijen waren onschadelijk en dienden ter bescherming van den binnenste, die met elektriciteit was geladen.  Wie dezen raakte, als was het ook maar met de slip van jas of rok, werd door den draad gegrepen.  Menigmaal stoorde een bange kreet de stilte van den nacht; dan snelde een schildwacht toe en vond eenen verongelukte met afgebrande ledematen.  De stroom werd afgeschakeld en men droeg het lijk van eenen Belgischen vluchteling, van eenen Franschman of eenen Rus, van eenen koerier of eenen deserteur henen.  Soms ook was het een Hollandsche soldaat, die om de eene of andere reden door de buitenste versperring was gekropen, uitglipte en in de klauwen van den dood viel.  Dan heette het: ‘Er hangt iemand aan den draad…’.
De Duitschers werden steeds strenger.  Toch gingen nog heele zakken brieven over de grens.  De Duitschers deden ook de ramen en deuren der woningen, welke op de grens uitzagen, met ijzeren traliën afsluiten; later moesten de woningen aan de grens ontruimd worden.  Ik voeg erbij, dat de versperring tevens een weermiddel was voor de Duitschers, welke den ‘krieg’ moe waren.  De dooden werden weggevoerd en begraven op het gemeentekerkhof van Lommel.’

De draad staat voortdurend onder zware bewaking  (uit 'Het epos van de draad - Deel 3: Het verzet')
De draad staat voortdurend onder zware bewaking.
(uit ‘Het epos van de draad – Deel 3: Het verzet’)
Op regelmatige afstanden staan deze gebouwtjes langs de draad. Het lage gedeelte doet dienst als soldatenverblijf. In het torengedeelte staan de generatoren opgesteld.
(uit ‘Smokkelen in Brabant – Een grensgeschiedenis 1830-1970′)