Alle berichten van Pauline Corens

Willem Jacob Prinsen

De Lommelse student Willem Jacob Prinsen was slechts 21 jaar oud toen hij op 29 november 1916 als dwangarbeider werd weggevoerd naar Duitsland. Slechts enige maanden later, op 13 maart 1917, overleed hij in het kamp van Kassel-Niederzwehren aan de gevolgen van een longontsteking.

Observatiepost in Kerkhoven

Op 12 maart 1917, terwijl de pastoor afwezig was, beklommen enkele Duitse manschappen de kerktoren van Kerkhoven. Onder fel verzet van de koster maakten ze in de spits een opening van 20 bij 40 cm. Hierbij werd niet alleen een keper van 16 cm dikte doorgezaagd, maar ook het torenuurwerk werd ernstig beschadigd. Een Duits onderofficier vertelde de pastoor ’s anderdaags de toren als observatiepost nodig te hebben bij schietoefeningen, maar verzekerde hem dat alle geleden schade later hersteld zou worden. In een klachtbrief aan de Duitse overheid protesteerde de pastoor heftig dat ‘de kerk geen gebouw is waar iedereen vrij in en uit mag lopen, de sigaret in de mond. Zulks is kwetsend voor de gevoelens van eerbied tegenover God!’

kerk - kerkhoven
Parochiekerk van St. Jan de Doper te Lommel-Kerkhoven

Arnold Willem Truyens en Pieter Hendrik Loykens

Exact 100 jaar geleden, op 24 februari 1917, stierf Arnold Willem Truyens, amper 25 jaar oud.
Enige maanden eerder werd hij samen met enkele honderden lotgenoten weggevoerd naar Duitsland.  Hij belandde in het kamp van Kassel-Niederzwehren, een verdelingsinrichting voor Belgische dwangarbeiders. Willem overleed  er aan een onbehandelde borstvliesontsteking, het gevolg van de slechte leefomstandigheden in het kamp.

Een paar dagen eerder stierf in Kassel-Niederzwehren ook al Pieter Hendrik Loykens, een 43-jarige landbouwer afkomstig van ‘t Enneven in Lommel.

Beide mannen liggen begraven op het kerkhof van het kamp.

peter hendrik loijkens

 

Jaak Haagdoren en Alfons De Koninck

Kameraden Jaak Haagdoren (°1885) en Alfons De Koninck (°1878) waren beiden schrijnwerkers te Lutlommel. Net als vele anderen werden ze op 29 november 1916 naar Duitsland weggevoerd, waar ze samen 2 jaar in een werkkamp verbleven.

Over hen werd verteld hoe ze in Lommel op zekere dag een Duits soldaat met verlof ontmoetten. De Duitser had flink gedronken en strompelde laveloos over straat. Jaak en Alfons besloten de knaap een afranseling te geven. Toen ze hem ’s anderdaags opnieuw zagen, vroegen ze hem grinnikend en wijzend op zijn blauwe oog: “Zijn het uw kameraden die u zo hebben toegetakeld?”

Omdat hij geheime rapporten over de grens had gebracht, werd Jaak in augustus 1918 een tweede keer gevangen genomen door de Duitsers.
In het café van zijn ouders aan de Grote Barrier luisterde hij de gesprekken van de Duitsers af. De informatie die hij op die manier verzamelde, bezorgde hij aan de inlichtingdienst. Hiervoor maakte hij gebruik van een holle wandelstok waarin hij zijn rapporten verstopte. Hij gebruikte vervolgens de smoes dat hij als schrijnwerker bomen ging opmeten aan de grens, om daar de wandelstok over de draadversperring te gooien.

jaak haagdoren
Doodsprentje Jaak Haagdoren

Alfons Dirx

We hadden het op deze blog eerder al even over oud-strijder Alfons Dirx (http://wo1.erfgoedlommel.be/?p=318).
Vele Lommelaren kennen zeker zijn kleinzoon, Frans Dirx.
Frans was vroeger postbode in Lommel en is nu de bezieler van de Facebookpagina ‘Lommel Vroeger en Nu’.
Als terecht trotse kleinzoon bezorgde Frans ons een aantal documenten van zijn grootvader. We delen ze hier met veel plezier.

Het militair zakboekje van soldaat-milicien Alfons Dirx:

vuurkruiser14-18-8pg  vuurkruiser14-18-10pg

Het soldijboekje of ‘carnet de pécule’, dat de zuurverdiende centen van soldaat Dirx oplijst:

vuurkruiser14-18-5pgvuurkruiser14-18-6pgvuurkruiser14-18-7pg

Na de oorlog werd de vuurkaart uitgereikt aan alle soldaten die gedurende minstens 12 maanden aan het front ‘onder vuur’ gestreden hadden.

vuurkruiser14-18-3jpgvuurkruiser14-18-2

Het vuurkruis werd ingesteld op 6 februari 1934 en is na de IJzer-medaille het belangrijkste ereteken voor oud-strijders van de Eerste Wereldoorlog . Deze medaille werd uitgereikt aan alle soldaten (ook vuurkruisers genoemd) die voor hun militaire verdiensten eerder al de vuurkaart ontvangen hadden.

Als ‘vuurkruiser’ was Alfons Dirx lid van de Nationale vuurkruisenbond, een vzw die o.m. instond voor de belangenverdediging van deze oud-strijders.

lidmaatschap vuurkruisenbond

Aan het statuut van vuurkruiser waren diverse voordelen verbonden. Zo had men recht op een korting van trein-, tram- en bustickets.

korting spoorwegen

En kon men onder bepaalde voorwaarden terugbetaling krijgen van medische consultaties.

vuurkruiser14-18-4pg

De familie Poets

De familie Poets, afkomstig van ‘t Wijerken, telde negen kinderen. Twee zonen (Franciscus en Karolus) streden aan het IJzerfront, terwijl twee dochters (Anna en Eliza) hun vader, Victor ‘Fik’ Poets hielpen bij het overbrengen van personen en brieven over de draadversperring.

Vader Poets en zijn dochters opereerden vanuit het Nederlandse Bergeijk. Eens bevond Fik zich onbewust toch op Belgisch gebied en wist hierbij ternauwernood te ontsnappen aan twee Duitse schildwachten. Dochter Eliza had helaas minder geluk. Op 21 december 1916 werd ze bij de elektrische draadversperring in Lommel geëlektrocuteerd.

victor poets
Victor Poets
eliza poets
Eliza Poets

De echtgenote van Victor Poets, Maria Catharina Cremers bleef tijdens de oorlog in Lommel wonen, maar was net als haar man actief als passeur. Zo smokkelde zij o.m. oorlogsrapporten over de grens. In de periode 1917-1918 werd zij door de Duitsers tot 3 maal toe gevangen genomen. Er werd over haar verteld dat ‘ze met zwart haar naar de gevangenis ging en met wit haar terug kwam’.

maria catharina cremers
Maria Catharina Cremers

 

Weggevoerd naar Duitsland

Omwille van de vele verliezen op de Europese slagvelden, diende iedere Duitser die beschikbaar bleef gemobiliseerd en ingezet te worden bij het leger. Hierdoor kwam er in de Duitse oorlogseconomie behoefte aan arbeidskrachten. Toen het onmogelijk bleek de nodige aantallen Belgische arbeiders als vrijwilligers aan te werven, besloot de Duitse regering in oktober 1916 tot de deportatie van Belgische arbeidskrachten. Dit tegen het advies van Gouverneur-Generaal Von Bissing, die bang was voor onlusten.

Zo stonden op 29 november 1916 honderden mannen te wachten voor het kantonnale ‘Melde-Amt’ in Neerpelt. In een eerste schifting werden alle priesters, geneesheren, apothekers, gemeenteraadsleden en onderwijzers naar huis gestuurd, zoals dat in Maaseik daags voordien ook al was gebeurd. De overgebleven mannen, waaronder ook 64 Lommelaars, werden in het station van Neerpelt onder strenge bewaking van Duitse soldaten, in veewagens gestopt. Via Hasselt reisden ze naar Kassel en Münster, waar ze samen met ruim 10.000 andere Belgen in werkkampen werden ondergebracht, vaak met 250 personen in één barak. De meesten onder hen hadden  niet eens afscheid kunnen nemen van thuis.

Al in oktober 1916 veroordeelde kardinaal Mercier, aartsbisschop Van Mechelen, het Duitse optreden in zeer scherpe bewoordingen. De neutrale mogendheden sloten zich hierbij aan. Het Vaticaan, Spanje, Nederland, Zwitserland en de Verenigde Staten verklaarden in november en december 1916, dat de deportaties in strijd waren met het oorlogsrecht. Willem II, de Duitse keizer, week voor de zware druk en al in februari 1917 kwam aan de systematische deportatie van burgers een einde. In de zomer van 1917 waren de meeste weggevoerden terug in België. Velen bleken ondervoed en ondermijnd door kou en mishandeling. Sommigen overleefden het niet.

weggevoerden munster
Gedeporteerde burgers in het werkkamp van Münster (foto ‘Münster in alten Ansichten’)

 

Bomen

Ingevolge de verordening van de Gouverneur-Generaal van 17 oktober 1916 dienden alle populieren en canadapopulieren ten laatste op 9 november 1916 te worden opgegeven bij de Kommandatur. Stammen van 1,60 meter omvang en meer werden als aangeslagen beschouwd en konden enkel verkocht of vervoerd worden met de expliciete toestemming van de Kreischef te Maaseik.

Eveneens dienden de eigenaars van een wagen die gebruikt kon worden voor het transport van bomen, deze aan te geven.

Ook voor alle notenbomen dienden later het aantal, de ouderdom en de stamgrootte te worden opgegeven. Zo verhaalt wijlen Maria Vilrokx-Vercammen in een schriftje uit het familie-archief: ‘De Duitsers eisen alles op: graan, melk, boter en ook de notenbomen om er geweerkolven van te maken. Er stonden in Lommel voorheen echte pronkstukken van notenbomen, vooral rond de boerderijen. Op de Grote Hoef stonden er vier heel dikke en aan de overkant van de Hoeverdijk, achter het huis van de kinderen Vereyken, nog eens twee prachtige exemplaren.’

Bomen die in beslag werden genomen moesten door de eigenaars op bevel van de Kommandatur geveld en bewerkt worden. Wie het bevel niet opvolgde werd beboet met 600 Mark of gestraft met 6 weken gevangenis.

zagerij emsens
Houthandel, elektrische zagerij en schaverij, opgericht omstreeks 1908 door Stanislas Emsens te Lommel-Stevensvennen

Jan Jacob Gerits en Peter Jan Gerits

Jan Jacob Gerits (van de Schoester), geboren op oudejaarsdag 1894, was afkomstig van Lommel-Kattenbos.
Hij was soldaat milicien bij de 2de Legerdivisie, 3de Regiment Etappen, 1ste Bataljon, 1ste Compagnie.

Over Jan Jacob Gerits wordt verteld dat toen kompaan Frans Van Broekhoven werd gekwetst op de voorpost, hij door Gerits dadelijk ter verzorging naar de achterlinie werd gebracht. Gerits liep hiervoor een straf op omdat hij de voorpost ‘te vroeg’ had verlaten …

Naamgenoot Peter Jan Gerits was afkomstig van het gehucht de Kolonie. Hij werd geboren op 3 januari 1894.
Als soldaat milicien behoorde hij tot het 5de Linieregiment, 1ste Bataljon, 1ste Compagnie.
Voor zijn verdiensten tijdens de Eerste Wereldoorlog ontving hij een vuurkruis en 7 frontstrepen.

Na zijn verlof in Parijs kwam Peter Jan Gerits niet tijdig terug. Hij bleef uiteindelijk 4 maanden en 7 dagen weg van het front. Om deze reden kreeg Gerits slechts 7 in plaats van 8 frontstrepen toegewezen.

jan gerits
Jan Gerits (Kattenbos) – 5de van rechts en Jan Gerits (Kolonie) – 4de van rechts

 

Petrus Gerardus Vanden Eynde, het eerste slachtoffer van de draad

Het eerste slachtoffer van de elektrische draadversperring dat in Lommel te betreuren viel, was Petrus Gerardus Vanden Eynde, echtgenoot Van Suzanne Conjaerts. Het tragische voorval had plaats op 27 september 1916 en wordt in ‘Genealogie der families Kuppens en Vanden Eynde’  als volgt omschreven:

‘Peter Gerard Vanden Eynde werkte als arbeider op de metaalfabriek te Overpelt. In de loop van het tweede oorlogsjaar 1916 viel de fabriek zo goed als stil. Vanden Eynde viel werkloos en keek vruchteloos uit naar ander werk. Op 27 september 1916 wilde hij zijn geluk proberen in de Nederlandse grensgemeente Luyksgestel samen met Vanduffel uit het gehucht Einde en Henri Van Hout (bijgenaamd ‘Toebak’) uit het gehucht Hees. Op het gehucht de Hutten, voorbij de hoeve Joosten, tussen de woningen Cuypers en Wuyts, zouden zij door de draad gaan. Helaas raakte Vanden Eynde bij zijn sprong over de versperring met zijn hiel de bovenste elektrisch geladen draad en viel doodgebliksemd op de grond neer, de hiel doorgebrand. Zijn lijk zou per ossekar naar het dodenhuisje Van Lommel-Centrum overgebracht worden. Zijn twee makkers geraakten ongedeerd in Luyksgestel. Dit tragisch gebeuren veroorzaakte heel wat beroering onder de Lommelse bevolking. Zelfs de Duitsers, die hun militaire keuken bij het huis Vanden Eynde-Conjaerts hadden gestationeerd, deelden in het verdriet der familie. ‘Had men hen ingelicht over de voorgenomen vlucht, dan hadden zij voor een vlot verloop gezorgd …’,  zo vertelde de oudste dochter.’

Later, na de wapenstilstand, verklaarde zijn weduwe Suzanne Conjaerts  in haar aanvraag om een oorlogsvergoeding, dat haar echtgenoot op 27 september 1916 bij haar ‘s avonds vertrok met de gedachte in Engeland te gaan werken en alzo aan het vaderland dienst te bewijzen.

dodendraad
De dodendraad, door politiek tekenaar Albert Hahn (1877-1918)